ij. Pause.
8De berg van Basan is voorwaer
Een Godes berg, en wonderbaer
Tot wolcken toe gelegen.
Hy is hoog, bultig, vruchtbaer, vet;
Gy bulte-bergen, waerom set
Gy u doch soo hier tegen?
Waerom springt gy doch op van spijt?
De Heere Godt heeft doch altijdt
Begeert Sich daer te toonen,
Oock sal des Heeren Majesteyt,
Oock sal de Heer in eeuwigheydt
Op desen berge woonen.
9Godts wagens en Sijn' ruytery
Zijn veel-mael duysent aen Sijn' zij';
Tien-dubbelt duysent scharen.
Godt is by haer in Majesteyt,
En Sinaï in heyligheydt;
Gy gingt in hoogte varen.
Gy voert, ô Heer, ten hemel op;
Gy braeckt de vyandtlicke kop,
Gy vangt de vyandts machten:
Gy hebt gevang'nis selfs vervoert;
Gy hebt Uw' gaven aengeroert,
Door menschen en geslachten.
10Gy deelt oock Uwer gaven schat
Aen overtreders selfs, op dat
Sy mogen by U woonen.
Looft Godt, die alle dageraet,
Die dag by dag ons over-laedt,
En komt Sijn mildtheydt toonen.
Die Godt is onse saligheydt,
Die is een Godt in eeuwigheydt,
Van volle saligheden:
En by de Heere Heere is
Een uytkomst en behoudenis
Voor die Sijn' Naem beleden.