Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 8De berg van Basan is voorwaer Een Godes berg, en wonderbaer Tot wolcken toe gelegen. Hy is hoog, bultig, vruchtbaer, vet; Gy bulte-bergen, waerom set Gy u doch soo hier tegen? Waerom springt gy doch op van spijt? De Heere Godt heeft doch altijdt

Begeert Sich daer te toonen, Oock sal des Heeren Majesteyt, Oock sal de Heer in eeuwigheydt Op desen berge woonen.

9Godts wagens en Sijn' ruytery Zijn veel-mael duysent aen Sijn' zij'; Tien-dubbelt duysent scharen. Godt is by haer in Majesteyt, En Sinaï in heyligheydt; Gy gingt in hoogte varen. Gy voert, ô Heer, ten hemel op; Gy braeckt de vyandtlicke kop, Gy vangt de vyandts machten: Gy hebt gevang'nis selfs vervoert; Gy hebt Uw' gaven aengeroert, Door menschen en geslachten.

10Gy deelt oock Uwer gaven schat Aen overtreders selfs, op dat Sy mogen by U woonen. Looft Godt, die alle dageraet, Die dag by dag ons over-laedt, En komt Sijn mildtheydt toonen. Die Godt is onse saligheydt, Die is een Godt in eeuwigheydt, Van volle saligheden: En by de Heere Heere is Een uytkomst en behoudenis Voor die Sijn' Naem beleden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove