Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 16Des Heeren Naem is heel verbreydt, Van wegen Sijn gerechtigheydt: d'Onvrome wercker van mijn' banden Viel in het werck van sijne handen.

17De goddeloose sullen, Heer, Ter hellen doen een rugge-keer, En alle, die Uw' will' vergeten, En die Uw' will' niet willen weten.

18Want sulck een, die in noodtdruft leydt, En leydt niet in vergetentheydt,

Noch des ellendigen verwachten Sal zijn voor eeuwig uyt gedachten.

19Staet op: laet, die ons tegen-staet, Sich niet verstercken: Heere, laet De volcken voor Uw' aengesichte Te voorschijn komen, in 't gerichte.

20O Heere, jaegt haer vreese aen: Laet Heydens weten en verstaen, Dat, schoon 't hen alles gaet na wenschen, Sy niet en zijn, dan swacke menschen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove