j. Pause.
4Hy heeft 's volcks kennis aengebracht,
De grootheyt van Sijn' wercken kracht.
Hen gevende der Heyd'nen landen
En erve; vol waerachtigheyt,
En oordeel in op-rechtigheyt,
Sijn all' de wercken Sijner handen.
5Getrouw is Sijn bevel en wet,
En ondersteunt, en vast geset
Voor alle tijdt en eeuwighlijcken,
In waer' op-rechtigheyt gedaen.
Hy bracht Sijn volck verlossing aen,
Hy sal 't verbondt doen eeuwig blijcken.
6Sijn Naem is heylig en gevreest;
Des Heeren vreese moet de geest,
't Merg, 't hooft, 't begin der wijsheyt wesen.
All' die se doen, zijn van verstandt;
De lof van Sijne rechter-handt
Sal eeuwiglijcken zijn gepresen.