Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 17Want ick ben, door swackigheden Van mijn' leden, Tot het hincken seer gereedt. All' den dag is voor mijn' oogen 't Onvermogen, En mijn' smerten en mijn leedt.

18'k Hebb' mijn' ongerechtigheden U beleden, En oprecht geopenbaert;

'k Ben bekommert en verlegen, Heer, van wegen Mijne sond' en boosen aert.

19Maer, all'die my tegen-streven, Zijn vol leven, En vol voorspoedt, sonder smert. Groot heb Gy haer worden laten, Die my haten, Sonder oorsaeck, in haer hert.

20Die het goedt met 't quaed' beloonen, Die vertoonen Sich rondtomme tegen my; Om dat ick will' all' mijn' dagen 't Goed na-jagen, En oprechtigheydt belij'.

21Laet my, Heere, niet verlegen,

In mijn' wegen, En verlaet my niet, mijn Godt. Weest niet verr' met Uw' genaden, Van mijn' paden, Dat ick haer niet zy ten spot.

22Haest U, Heer, om my van 't lijden Te bevrijden; Haest U tot mijn' hulp, ô Heer; Wilt, ô Heer, U vaerdig maecken, Voor mijn saecken, Gy, die zijt mijn heyl en eer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove