H. Cheth. viij.
29 MYn deel, mijn erfdeel is de Heere Godt;
Ick hebbe toegeseydt, dat ick Uw' reden,
Uw' woordt bewaren sal in 's herten slot.
Ick hebb' Uw' aenschijn, Heer, in ernst gebeden,
Van gantscher herten; zijt genadig na
't Geen Gy hebt toegeseydt, belooft met eeden.
30Ick hebb' mijn weg bedacht, daer op ick ga;
Ick hebb' mijn' voeten doen tot Uwaerts keeren,
Tot Uw' getuygeniss', daer op ick sta.
Ick hebb' gehaest, om Uw' gebodt te leeren;
In generley manier' hebb' ick vertraegt,
Om t'onderhouden, Heer, all' Uw' begeeren.
31Der goddeloosen hoop heeft my geplaegt,
En van mijn goedt berooft; doch U te vreesen,
Vergat ick echter niet, noch was vertsaegt.
Ter midder-nacht ben ick uyt 't bedt gereesen,
Om Uw' te loven voor gerechtigheydt,
Van Uwe rechten, die noyt zijn vol-presen.
32Van all' die 't leven in Uw' vreese leydt,
Ben ick, Heer, een gesel; die Uw' beveelen
Steedts onderhouden, van Uw' voor-geseydt.
De aerd' is vol, ô Heer, in allen deelen
Van Uwe goedigheydt, en Uw' genaed';
Leert my Uw' Wet en Uw' gebodt ten heelen.