Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

H. Cheth. viij. 29 MYn deel, mijn erfdeel is de Heere Godt; Ick hebbe toegeseydt, dat ick Uw' reden, Uw' woordt bewaren sal in 's herten slot. Ick hebb' Uw' aenschijn, Heer, in ernst gebeden, Van gantscher herten; zijt genadig na 't Geen Gy hebt toegeseydt, belooft met eeden.

30Ick hebb' mijn weg bedacht, daer op ick ga; Ick hebb' mijn' voeten doen tot Uwaerts keeren, Tot Uw' getuygeniss', daer op ick sta. Ick hebb' gehaest, om Uw' gebodt te leeren; In generley manier' hebb' ick vertraegt, Om t'onderhouden, Heer, all' Uw' begeeren.

31Der goddeloosen hoop heeft my geplaegt,

En van mijn goedt berooft; doch U te vreesen, Vergat ick echter niet, noch was vertsaegt. Ter midder-nacht ben ick uyt 't bedt gereesen, Om Uw' te loven voor gerechtigheydt, Van Uwe rechten, die noyt zijn vol-presen.

32Van all' die 't leven in Uw' vreese leydt, Ben ick, Heer, een gesel; die Uw' beveelen Steedts onderhouden, van Uw' voor-geseydt. De aerd' is vol, ô Heer, in allen deelen Van Uwe goedigheydt, en Uw' genaed'; Leert my Uw' Wet en Uw' gebodt ten heelen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove