R. Pe. Xvij.
65UW' Wetten, Heere, zijn van wond're kracht,
En Uw' getuyg'nis is vol heym'lickheden;
Daerom bewaert mijn' ziel die dag en nacht.
Uw' woorden-opening en Uwe reden
Geeft licht, en haer, die zijn eenvoudig, slecht,
En recht, die maeckt sy vol verstandigheden.
66Ick hebbe mijnen mondt wijdt opgerecht.
Ick hebb' gehijgt, gesnackt in mijn verlangen
Na Uw' geboden, Heer, door U gesegt.
Siet aen, en wilt my in ganaed' ontfangen;
Na 't recht aen sulcken, die sijn' liefde leydt
Op Uwen naem, in all' sijn' levens gangen.
67Maeckt mijner voeten-stap vol vastigheydt,
In Uwen woorde; laet my niet regeeren
Door heerschappy van ongerechtigheydt.
Wilt 's menschen over-last doch van my weeren;
Verlost my van den druck; tot onderhoudt
Van Uw' beveelen sa lick 't herte keeren.
68Doet dat op Uwen knecht, die op U bouwt,
Uw' lieff'lick aengesicht licht' ende schijne;
Leert my Uw' Wetten, die Gy my vertrouwt.
Siet, water-beecken vlieten af uyt mijne
Oog-appelen, om dat sy Uw' bevel
Niet onderhoudend' doen, dat die verdwijne.