Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 14Wie is by U gelijck te stellen, O Gy almachtig Godt, Gy die my bracht tot spot, Tot veel benauwtheydt, angst, en quellen, Die my veel quaedts deedt smaecken, Sult my weêr levend' maecken.

15Gy sult my wederom, ô Heere, Op-halen uyt der aerd'; Gy maeckt my heel vermaert; Gy sult mijn' grootheydt seer vermeere', Rondtom Uw' troost verklaren, En laten weder-varen.

16Oock sal ick met 't geluydt der luyten U loven, Godt, en Heer; Ick sal Uw' trouw en eer, O heyligheydt van Iacob, uyten. 'k Sal roemen van Uw' dingen, Met harp en Psalmen singen.

17Mijn' mondt sal juychen t' Uwer eere, Met een verheugt geschal, Als ick Psalm-singen sal; Mijn' ziel, die Gy, genadig Heere,

Verlost hebt uyt haer lijden, Sal haer in U verblijden.

18Van mijne tong sal gantsche dagen, Heer, Uw' gerechtigheydt Door spraeck zijn uytgebreydt; Want sulcke, die mjin quaedt na-jagen, En na mijn' doodt verlangen, Heeft schaemt, heeft schaemt bevangen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove