iij. Pause.
14Wie is by U gelijck te stellen,
O Gy almachtig Godt,
Gy die my bracht tot spot,
Tot veel benauwtheydt, angst, en quellen,
Die my veel quaedts deedt smaecken,
Sult my weêr levend' maecken.
15Gy sult my wederom, ô Heere,
Op-halen uyt der aerd';
Gy maeckt my heel vermaert;
Gy sult mijn' grootheydt seer vermeere',
Rondtom Uw' troost verklaren,
En laten weder-varen.
16Oock sal ick met 't geluydt der luyten
U loven, Godt, en Heer;
Ick sal Uw' trouw en eer,
O heyligheydt van Iacob, uyten.
'k Sal roemen van Uw' dingen,
Met harp en Psalmen singen.
17Mijn' mondt sal juychen t' Uwer eere,
Met een verheugt geschal,
Als ick Psalm-singen sal;
Mijn' ziel, die Gy, genadig Heere,
Verlost hebt uyt haer lijden,
Sal haer in U verblijden.
18Van mijne tong sal gantsche dagen,
Heer, Uw' gerechtigheydt
Door spraeck zijn uytgebreydt;
Want sulcke, die mjin quaedt na-jagen,
En na mijn' doodt verlangen,
Heeft schaemt, heeft schaemt bevangen.