Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

M. Lamed. Xij. 45UW' woordt, ô Heere Godt, sal vast bestaen, Geduerig, en altoos in eeuwigheden, En in de hemelen sal 't noyt vergaen. Van stamm' tot stamm' zijn Uw' getrouwigheden, De aerde hebt Gy vast gemaeckt, en sy Blijft seecker staen in haer' bestendigheden.

46Na het bevel en Wet, ô Heer, die Gy Gaeft, blijven sy noch staen op dese dagen: Want alle zijn 't Uw' knechts, aen Uwe zy'.

Hadt niet Uw' Wet geweest al mijn behagen, Al mijn vermaeck, ick waer in druck en smert Al lang vergaen, al lang tot niet verslagen.

47In eeuwigheden sal, ô Heer, mijn hert Uw' Wet, noch Uw' bevel des mondts vergeten; Want daer door maeckt Gy dat ick levend' werd'. U ben ick; wilt mijn' ziel Uw' heyl toe-meten; O Heere, geeft my Uw' behoudeniss', Want Uw' bevel socht ick te doen, te weten.

48De boose wachten tot verderffeniss', Om my te doen vergaen, te doen versmachten; Doch ick neem acht op Uw' getuygeniss'. Van alle 't gene was volmaeckt te achten Heb ick een eynd' gesien, maer Uwe Wet Die is seer wijdt, en heeft geen eynd' van krachten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove