ij. Pause.
9Van wegen alle mijn' partijden
Ben ick oock seer gehoont,
Van die na-by my woont.
Mijn' kennis schrickt, en gaet my mijden,
En, die my siet op straten,
Vliedt, gaende my verlaten.
10Uyt 't herte ben ick heel vergeten,
Als doodt en als verrot;
Als een bedorven pot.
Veel' tongen zijn op my gebeten;
Ick moet rondtomme wesen
In bangheydt en in vreesen.
11Dewijl sy all' te samen tegen
Mijn' ziel' te rade gaen,
My denckende te slaen.
Maer mijn vertrouwen is gelegen
Op U alleen, ô Heere;
Gy zijt mijn Godt en eere.
12In Uwe handen zijn mijn' tijden.
Redt my van vyandts handt,
Die tegen my sich kant,
En my vervolgt, en komt bestrijden.
Bevrijdt my daer van, Heere,
Weest voor-standt van mijn' eere.
13Geeft dat Uw' goedtheydt my verlichte,
En dat die zy gerecht
Na Uw' oprechte knecht.
Verlost my door Uw' aengesichte;
Geeft dat my niet beschame;
Want ick roep' tot Uw' Name.