Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 9Van wegen alle mijn' partijden Ben ick oock seer gehoont, Van die na-by my woont.

Mijn' kennis schrickt, en gaet my mijden, En, die my siet op straten, Vliedt, gaende my verlaten.

10Uyt 't herte ben ick heel vergeten, Als doodt en als verrot; Als een bedorven pot. Veel' tongen zijn op my gebeten; Ick moet rondtomme wesen In bangheydt en in vreesen.

11Dewijl sy all' te samen tegen Mijn' ziel' te rade gaen, My denckende te slaen. Maer mijn vertrouwen is gelegen Op U alleen, ô Heere; Gy zijt mijn Godt en eere.

12In Uwe handen zijn mijn' tijden.

Redt my van vyandts handt, Die tegen my sich kant, En my vervolgt, en komt bestrijden. Bevrijdt my daer van, Heere, Weest voor-standt van mijn' eere.

13Geeft dat Uw' goedtheydt my verlichte, En dat die zy gerecht Na Uw' oprechte knecht. Verlost my door Uw' aengesichte; Geeft dat my niet beschame; Want ick roep' tot Uw' Name.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove