Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

L. Caph. Xj. 41BEsweecken is de ziel' van my, Uw' knecht, Door lang verlangen na Uw' heyls erlangen.

Op Uw' woordt heb ick all' mijn' hoop gelegt. Besweecken is mijn oog door lang verlangen Na Uw' toesegging; toen ick heb geseydt, Wanneer sal ick, ô Heer, Uw' troost ontfangen?

42Want siet, ick ben door leedt en tegenheydt Gelijck een leeren sack, verdroogt van 't roocken; Maer wierdt niet tot Uw's Wets versuym verleydt. Hoe veele dagen hebt Gy, Heer, besproocken Tot Uwes knechts elend? wanneer sal, Heer, Op mijn' vervolgers zijn mijn leedt gewroocken?

43De trotse haters van my en mijn' eer, Die hebben putten voor mijn' ziel gegraven, 't Welck' na Uw' Wet niet is, noch na Uw' leer. All' Uw' gebodt is waer: sy-lieden draven, En sy vervolgen my met logen-tael. Helpt my doch, Heer, door Uw' genades gaven.

44Sy hebben my by-na heel t'eenemael Vernietigt op der aerd': maer Uw' beveelen Verliet ick evenwel niet eenemael. Maeckt, Heer, my levendig door 't mede-deelen Uw's goedigheydts, dan sal my noyt voortaen Het onderhoudt des Wets Uw's mondts verveelen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove