L. Caph. Xj.
41BEsweecken is de ziel' van my, Uw' knecht,
Door lang verlangen na Uw' heyls erlangen.
Op Uw' woordt heb ick all' mijn' hoop gelegt.
Besweecken is mijn oog door lang verlangen
Na Uw' toesegging; toen ick heb geseydt,
Wanneer sal ick, ô Heer, Uw' troost ontfangen?
42Want siet, ick ben door leedt en tegenheydt
Gelijck een leeren sack, verdroogt van 't roocken;
Maer wierdt niet tot Uw's Wets versuym verleydt.
Hoe veele dagen hebt Gy, Heer, besproocken
Tot Uwes knechts elend? wanneer sal, Heer,
Op mijn' vervolgers zijn mijn leedt gewroocken?
43De trotse haters van my en mijn' eer,
Die hebben putten voor mijn' ziel gegraven,
't Welck' na Uw' Wet niet is, noch na Uw' leer.
All' Uw' gebodt is waer: sy-lieden draven,
En sy vervolgen my met logen-tael.
Helpt my doch, Heer, door Uw' genades gaven.
44Sy hebben my by-na heel t'eenemael
Vernietigt op der aerd': maer Uw' beveelen
Verliet ick evenwel niet eenemael.
Maeckt, Heer, my levendig door 't mede-deelen
Uw's goedigheydts, dan sal my noyt voortaen
Het onderhoudt des Wets Uw's mondts verveelen.