Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 5Die aen het vee sijn broodt gaet geven, En doet het door sijn voeder leven, En die geeft aen de jonge raven, Wanneerse roept sijn' spijs' en gaven. De Heer', de groote Godt heeft geenen Lust aen der peerden kracht met allen; Hy heeft aen stercker mannen beenen In 't allerminst' geen wel-gevallen.

6De Heere heeft een wel-gevallen

Aen die Hem vreesen; aen haer allen Die op Sijn' goedigheden wachten, En hopen op Sijn gunst en krachten. Ierusalem, roemt doch den Heere; Wilt uwen Godt, ô Zion, loven, Ierusalem, biedt Godt doch eere, O Zion, looft uw' Godt daer boven.

7Want Hy gaet door Sijn krachtig wercken De grendels uwer poorten stercken; Hy gaet Sijn' milden zegen geven Aen kinderen die in u leven. Die all' uw' landen in de vrede En in de rust en stilheydt sette, En Hy vervult, versadigt mede U alle met het tarwen-vette.

8Hy sendt Sijn woordts bevel op aerden,

't Welck Hy doet alle ding aenvaerden; Sijn woordt, Sijn seggen, wil, en reden Loopt met seer groote snelligheden. Hy is 't die sneeuw geeft, 't welck de wolle Gelijckt in wesen uytterlijcken; Die rijm en nevel stroyt ten volle', By 't asch uyt-stroyen te gelijcken.

9Hy werpt Sijn ijs, Sijn' hagel-steenen, Als groote stucken, ginder heenen. Wie is 't die soo hardt wesen soude, Dat hy bestondt voor Sijne koude? Hy sendt Sijn woordt en kracht beneden; En doetse smelten, doetse breecken; Waeyt maer Sijn' windt van mogentheden, Daer vloeyen dan de water-beecken.

10Hy doet Sijn woordt aen Iacob weten,

Aen 't Ioods volck, 't geen Hy heeft geheten, Aen Israël Sijn recht en wetten, En keuren, die Hy quam te setten. Op sulcken wijs' was niet Sijn' handel Met gene heydensche geslachten; Daerom is 't dat sy in haer' wandel Sijn' rechten kennen noch en achten.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove