Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 8Verlost, ô Heere, om mijn' haters, my; Verlost, ô Heere, my; houdt my in 't leven; Wilt my in 's vyandts handt, ô Godt, niet geven. Maeckt mijne ziele van sijn' wreedtheydt vry. Gy weet mijn' smaedtheydt wel; U zijn bekent Mijn schaemt en schandt, daer in ick ben gesteecken. Mijn' haters boosheydt, welck is sonder end', En mijn' benauwers werck is U gebleecken.

9De bitt're smaedtheydt brack my in het hert,

En, siet, ick ben verswackt, door 't fell' bestrijden; Ick hebbe lang gewacht na mede-lijden, Maer vinde, dat daer geen getoont en werdt. Ick hebbe langen tijdt verlangt, gewacht Na troosters, maer ick hebb' die noyt gevonden; Sy hebben tot mijn' spijs' my gal gebracht, En edick in mijn' dorst my toegesonden.

10Haer' tafels gulsigheydt in spijs' en dranck, Zy haer een strick des doodts, tot haer verderven; 't Zy haer een val-strick, om daer in te sterven, Tot vol vergelden, en haer' onderganck. Verblindt haer, laet haer oog verdonckert zijn; Op dat sy niet en sien, noch yets beoogen; Doet hare lendenen altijdt van pijn, Van onmacht wagg'len, en van onvermogen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove