ij. Pause.
8Verlost, ô Heere, om mijn' haters, my;
Verlost, ô Heere, my; houdt my in 't leven;
Wilt my in 's vyandts handt, ô Godt, niet geven.
Maeckt mijne ziele van sijn' wreedtheydt vry.
Gy weet mijn' smaedtheydt wel; U zijn bekent
Mijn schaemt en schandt, daer in ick ben gesteecken.
Mijn' haters boosheydt, welck is sonder end',
En mijn' benauwers werck is U gebleecken.
9De bitt're smaedtheydt brack my in het hert,
En, siet, ick ben verswackt, door 't fell' bestrijden;
Ick hebbe lang gewacht na mede-lijden,
Maer vinde, dat daer geen getoont en werdt.
Ick hebbe langen tijdt verlangt, gewacht
Na troosters, maer ick hebb' die noyt gevonden;
Sy hebben tot mijn' spijs' my gal gebracht,
En edick in mijn' dorst my toegesonden.
10Haer' tafels gulsigheydt in spijs' en dranck,
Zy haer een strick des doodts, tot haer verderven;
't Zy haer een val-strick, om daer in te sterven,
Tot vol vergelden, en haer' onderganck.
Verblindt haer, laet haer oog verdonckert zijn;
Op dat sy niet en sien, noch yets beoogen;
Doet hare lendenen altijdt van pijn,
Van onmacht wagg'len, en van onvermogen.