Psalm Lxiij. Stem: 17.
O Godt, mijn Godt, mijn toeverlaet,
Ick soeck na U, en ick begeere
Met yver Uwe hulp, ô Heere,
Vroeg-morgens, in den dageraedt.
Mijn ziele dorst na Uw' genade;
Mijn vleesch verlangt na U in 't landt,
Dorr', mat, vermoeyt, verdroogt, verbrandt,
En sonder water, vroeg en spade.
2Ick ging in 't Heyligdom voorwaer,
Om daer Uw' aengesicht t'aenschouwen;
Ick sag, ô Heer,ô mijn vertrouwen,
Uw' sterckheydt en Uw' eere daer.
Want Uwe goedertierenheden
Zijn beter, dan het leven is;
Mijn' lippen souden dan gewis
Uw' prijs, en lof, en roem verbreeden.
3Alsoo soud' ick U loven, Heer,
In all' de dagen van mijn leven;
Mijn' handen souden zijn geheven
In Uwen Naem, tot Uwer eer'.
Mijn' ziele soud' versadigt wesen,
Gelijck met smeer en vettigheydt.
Met sang, door lippen-vreugd' geleydt,
Soudt Gy zijn door mijn mondt gepresen.