Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Psalm Lxiij. Stem: 17. O Godt, mijn Godt, mijn toeverlaet, Ick soeck na U, en ick begeere Met yver Uwe hulp, ô Heere, Vroeg-morgens, in den dageraedt. Mijn ziele dorst na Uw' genade; Mijn vleesch verlangt na U in 't landt, Dorr', mat, vermoeyt, verdroogt, verbrandt, En sonder water, vroeg en spade.

2Ick ging in 't Heyligdom voorwaer, Om daer Uw' aengesicht t'aenschouwen; Ick sag, ô Heer,ô mijn vertrouwen, Uw' sterckheydt en Uw' eere daer. Want Uwe goedertierenheden Zijn beter, dan het leven is; Mijn' lippen souden dan gewis

Uw' prijs, en lof, en roem verbreeden.

3Alsoo soud' ick U loven, Heer, In all' de dagen van mijn leven; Mijn' handen souden zijn geheven In Uwen Naem, tot Uwer eer'. Mijn' ziele soud' versadigt wesen, Gelijck met smeer en vettigheydt. Met sang, door lippen-vreugd' geleydt, Soudt Gy zijn door mijn mondt gepresen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove