ij. Pause.
8De stercke Rechter-handt des Heeren
Is seer verhoogt, seer hoog gebracht.
Sijn' Rechter-handt is t' Sijner eeren,
Groot-dadig, met een wond're kracht.
Ick sal niet sterven, maer sal leven;
Noch vallen in des vyandts handt:
Maer van den Heer' vertelling geven,
Van wonder-wercken door het landt.
9De Heer heeft my wel straf gegeven;
My hardt kastijdend' gekastijdt;
Doch Hy heeft noyt ter doodt mijn leven
Gegeven, maer mijn' ziel' bevrijdt.
De poorten der gerechtigheden
Ontsluyt die; laet die open staen;
Ick sal daer door na binnen treden,
Ick sal den Heere loven gaen.
10Dit is de poorte Godts, des Heeren;
De poorte der gerechtigheydt,
Daer door rechtveerdige met eeren
Ten in-gang sullen zijn geleydt.
Ick sal U loven, en U prijsen;
Want Gy verhoorde mijn gebedt,
En Gy quamt my Uw' heyl bewijsen;
Mijn wel-vaert hebt Gy voort-geset.