j. Pause. 4O Godt, doe Gy voor 't aengesicht Uw's volcks Uw' uyt-tocht hebt gericht, En tradt in die woestijnen; Soo daverde de gantsche aerd', De hemel droop en was vervaert Door Godes aensichts schijnen. Selfs dese Sina beefde seer Door Godt, de Godt, Israëls Heer, Door angst, ontsag, en vreesen.
Gy sondt seer milden regen af, Die door U aen Uw' erfdeel gaf, Als 't mat was, stercker wesen.
5Gy hebt door Uwe goedigheydt, Uw' erfgoedt voor Uw' hoop bereydt, Tot woon-plaets haer gegeven. Gy hielpt 't ellendig volck, ô Godt: Gy gaeft aen haer Uw's heyls genot, Die in verdrucktheydt leven. Volkomen stof gaf Godt de Heer, Om uyt te spreecken, tot Sijn eer, Daer waren groote hoopen; Daer was een heyr-schaer van het volck Het welck als bode quam en tolck Van goede tijding loopen.
6De koningen van heyren-kracht,
Zijn haestelick met all' haer' macht Gevloden, zijn gevloden. En sy die t'huys bleef, nam de buyt, En deelde roof, en mat die uyt, Aen hare huys-genooden. Al laegt gy-lieden in 't gesteen, Al waert gy eertijdts in 't geween, Al hebt gy eerst geleecken Den man die in sijn' dienstbaerheydt In haerte-steenen-rijgen leydt Verstooten en versteecken.
7Als gy nochtans gingt na de strijdt, Soo wierdt gy evenwel altijdt Soo schoon in aller oogen, Als duyve-vleugels, over-deckt Met silver-ved'ren, uytgestreckt,
Met geel goudt overtoogen. Wanneer dan Godt almachtig quam, En all' de konincklicke stam Verstroyde uyt haer woonen; Dan wierdt het landt van Canaän Soo suyver snee-wit, alsmen kan Op Tsalmons berg vertoonen.
Cookies on Poetry Cove