C. Gimel. iij.
9DOet wel, ô goede Godt, by Uwen knecht;
Doet wel by my, op dat ick, Heer, mach leven,
En Uw' Gebodt bewaer', trouw en oprecht.
Ontdeckt mijn' oogen, wilt die klaerheydt geven,
En reyn gesicht, op dat ick mercken kan
De wond'ren in Uw' Wet van U geschreven.
10Ick ben op aerd', gelijck een vreemde man:
Verbergt, ô Heer, voor my niet Uwe Wetten;
Op dat ick die bewaer', noch wijck' daer van.
Verbroocken is mijn' ziel', van wegen 't letten,
Tot allen tijden, op Uw' oordeel, Heer,
En het verlang, dat ick daer na ging setten.
11Gy scheld 't vervloeckt' geslacht des volks, dat seer
Hoovaerdig is, en gaet moedt-willig treden
Van Uw' geboden af, en Uwe leer.
Heer, wentelt van my af de smadigheden,
En wendt verachting af; want Uw' gebodt
En Uw' getuygenis hebb' ick beleden.
12Als selfs der Vorsten schaer sat, en, ô Godt,
Sprack tegen my, ging ick, Uw' knecht, betrachten
All' Uw' insettingen en wille-slot.
Oock zijn Uw' Wetten, Heer, all' mijn' gedachten;
All' mijn vermaeck is Uw' getuygenis;
Uw' Wetten zijn mijn' lien, die raedt aen brachten.