Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 5 Want all' ons' dagen gaen daer henen varen, Door Uw' verbolgenheyts en gramschaps krachten; Wy slijten onse tijdt, gelijck gedachten. En tseventig zijn ons' getal der jaren; Of, in geval wy zijn seer sterck in kracht, Soo werdt tot tachtentig de tijdt gebracht.

6Heer, het uytnemenst' deel van onse leven Is moeyten, en verdriet; 't is haest verdwenen; 't Wordt afgesneden, en men vliegt daer henen. Wien is de kennis van de kracht gegeven,

Die is in Uwe toorns verbolgenheydt, Na Uwe vreeslickheydt en schricklickheydt?

7Laet van ons op de tijdt zijn acht genomen. Leer ons, o Heere Godt, ons' levens dagen Soodanig tellen, dat wy sorge dragen, Dat wy daer door tot 't hert der wijsheydt komen. Keert weder, hoe lang blijft Gy afgewendt? 't Berouw' U van die Gy voor knechten kent.

8Versaedt ons 's morgens met Uw' goedigheden, Op dat wy juychen, Heer, en ons verblijden In all' ons' dagen en tot allen tijden. Verblijdt ons, na dat Gy ons hebt vertreden; Verblijdt ons na 't verloop der jaren weêr, Daer in wy hebben 't quad' gesien, ô Heer.

9Laet aen Uw' knechten, Heer Uw' werken blijken, En over haer geslacht Uw' heerlickheden;

De Heere Godt met Sijn' lieftalligheden Zy over ons, en laet Gy eeuwiglijcken 't Werck onser handen gaen op 't vaste padt, Ia onser handen werck bevestigt dat.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove