Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 7De Heere Godt siet uyt den hemel, All' wat op aerden sich bevindt, En aenschouwt alle het gewemel,

't Gewoel van yeder menschen-kindt. Hy siet na beneden Uyt de vastigheden, Daer Sijn' wooning staet. All' wat woont op aerde, All' wat mensche baerde, Slaet Sijn ooge gaed'.

8Haer aller herten vormt de Heere. De Heer, de groote Godt alleen Leydt haer, en wendt haer na begeere'. Hy let op alles wat sy deên. Koningen bewaren Geene groote scharen; Geene heyren-macht. Geen heldt sal in 't strijden Redden en bevrijden

Sijne groote macht.

9Het peerdt feylt tot het overwinnen; 't Bedriegt sijn meester in de noodt. Het brengt hem niet behouden binnen, Noch vrijdt, door sterckte, van de doodt. Siet, des Heeren oogen Zijn met hem bewoogen, Die het leven leydt In Sijn dienst en vreesen; En diens hoop sal wesen Op Godts goedigheydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove