ij. Pause.
10Ons' hert is rugg'lings niet geweecken,
Noch onse gang en is besweecken,
Of achterwaerts gekeert, van 't padt,
't Welck Uwe Wet geboden hadd'.
Hoewel Gy ons in draecken-noodt
Verplettert hebt, in wreedtheydts plecken,
En met een' schaduw' van de doodt
Ons' aengesicht quaemt over-decken.
11Soo wy de name Godts, des Heeren,
Vergaten, en de handt, ter eeren
Van eenig vreemde majesteyt,
En afgodt, hadden uytgebreydt;
Soud' sulcks van Godt niet zijn door-grondt?
Soud' sulcks de Heere niet door-soecken,
Die alle tijdt seer licht'lick vondt
All' 's menschen herts verborgen' hoecken?
12Maer, om dat wy by U volherden,
En blijven by Uw' wille, werden
Wy all' den dag gedoodt, geslacht;
Slacht-schapen zijn, als wy, geacht.
Waeckt op, en slaept doch niet, ô Heer;
Wat soude zijn Uw's slapens reden?
Ontwaeckt, verstoot ons niet te seer;
Verstoot ons niet in eeuwigheden.
13Waerom soudt Gy Uw' heyl verhoolen,
En houden 't aengesicht verschoolen?
Waerom vergeten onsen druck,
En ons' ellend', en ongeluck?
Want onse ziel' is in het zandt
Gebogen, als van geener waerde,
Veracht, geheel gebracht tot schand',
En onse buyck kleeft aen de aerde.
14Staet op, en komt ons hulpe bieden,
Verlost ons van de boose lieden;
Maeckt U tot onse hulp' bereydt,
Om Uwe goedertierenheydt.