Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 10Ons' hert is rugg'lings niet geweecken, Noch onse gang en is besweecken, Of achterwaerts gekeert, van 't padt, 't Welck Uwe Wet geboden hadd'. Hoewel Gy ons in draecken-noodt

Verplettert hebt, in wreedtheydts plecken, En met een' schaduw' van de doodt Ons' aengesicht quaemt over-decken.

11Soo wy de name Godts, des Heeren, Vergaten, en de handt, ter eeren Van eenig vreemde majesteyt, En afgodt, hadden uytgebreydt; Soud' sulcks van Godt niet zijn door-grondt? Soud' sulcks de Heere niet door-soecken, Die alle tijdt seer licht'lick vondt All' 's menschen herts verborgen' hoecken?

12Maer, om dat wy by U volherden, En blijven by Uw' wille, werden Wy all' den dag gedoodt, geslacht; Slacht-schapen zijn, als wy, geacht. Waeckt op, en slaept doch niet, ô Heer;

Wat soude zijn Uw's slapens reden? Ontwaeckt, verstoot ons niet te seer; Verstoot ons niet in eeuwigheden.

13Waerom soudt Gy Uw' heyl verhoolen, En houden 't aengesicht verschoolen? Waerom vergeten onsen druck, En ons' ellend', en ongeluck? Want onse ziel' is in het zandt Gebogen, als van geener waerde, Veracht, geheel gebracht tot schand', En onse buyck kleeft aen de aerde.

14Staet op, en komt ons hulpe bieden, Verlost ons van de boose lieden; Maeckt U tot onse hulp' bereydt, Om Uwe goedertierenheydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove