Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Psalm xliiij. O Godt, wy konden met ons' ooren Uw' wonder-wercken heel wel hooren; De vaders wesen ons het aen, Wat Gy in d'oudtheydt hebt gedaen. Gy hebt de Heyd'nen met Uw' handt Geplaegt, en uyt 't besit gedreven: Maer haer-liên hebt Gy voort-geplant, En wasdom wijdt en zijdt gegeven.

2Want 't landt is van haer niet gekregen, Door erffenisse van haer' degen; En harer armen dapperheydt Heeft haer het heyl niet toebereydt. Maer Uwe rechterhandt, Uw' kracht, Uw' arm, Uw' licht, het welck' sy sagen, Om dat Gy haer hebt groot geacht,

En hadt in haer een wel-behagen.

3Gy selve zijt, ô Heer der heeren, Mijn' Koning, en mijn Vorst der eeren; Gebiedt, Gy die almachtig zijt, Dat 't zaedt van Iacob werd' bevrijdt. Wy sullen door U ons' party Met hoorn-gestoot ter neder vellen. In Uwen Naem vertreden wy All' die, die tegen ons sich stellen.

4Want ick en will' in 't minst' niet bouwen Op mijnen boog, noch 't sweerdt vertrouwen, Dat dit my uyt het ongeval Verlossen ende redden sal. Maer, Heer, alleenig Uwe handt Redt ons van onse ziels bestrijders. Gy maeckt alleen tot schaemt' en schandt

All' onse haters en benijders.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove