ij. Pause.
10Doch ick sal hopen t'allen tijden,
En sal U loven gaen
Meer dan ick heb gedaen.
Mijn' mondt sal van Uw' recht belijden;
Uw' heyl altijdt verhalen,
Al weet' ick geen getalen.
11'k Sal henen gaen in mogentheden
Des Heeren, 's Heeren kracht
Sal zijn van my bedacht;
Ick sal all' Uw' gerechtigheden
Vermelden, Gy sult wesen
Alleen van my gepresen.
12Gy leerde my van jongs op, Heere,
Van mijner jeuget aen:
Ick doe als noch verstaen
Uw' wonderen, ô Godt, en eere.
Wilt daerom my bewaren
In oude grijsheydts jaren.
13Tot dat ick allen, die nu leven,
En all' het zaedt van haer,
Uw' arm, Uw'macht verklaer'.
Oock is Uw' recht in 't hoog' verheven,
Gy die door Uw' genaden
Deedt groote wonder-daden.