Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 5Ontsett' my, redd 't my van der vreemden handen; Ontruckt my haer die op my t'samen spanden; Der welcker mondt doch niet dan leugen seydt; Haer handt is maer een handt van trouwloosheydt. Laet onse soonen als de planten wesen, Die wierden in haer' jeugt groot, hoog geresen. Laet onse dochters als hoeck-steenen zijn,

En uyt-gehouwen na paleysen schijn.

6Laet onse winckels spijs' tot spijse geven, En doen in overvloedt ons' kudden leven. Doet werpen, Heer, by duysenden gelijck, Ia by tien duysenden zijn op ons' wijck. Doet, Heer, ons' ossen zijn vet, wel-geladen. Dat geenen in-breuck zy, tot onser schaden, Noch geenen uyt-val oock; ô Heere, laet Niet toe een krijgs gekrijsch op onse straet.

7Wel-gelucksalig zijn all' die geslachten, Aen welcke 't alles soo wel gaet, te achten; Wel-gelucksalig is het volck gewis, Het volck, des welcken Godt de Heere is.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove