I. De Tien Geboden des Heeren. Exodi Cap. 20. vers 2. VErheft uw' hert, ontsluyt uw' ooren; Gy hardt volck, traeg in het verstaen; Wilt Godts, des Heeren stemme hooren, En Sijne wil wel gade slaen.
2Ick ben (seydt Hy) uw' Godt, de Heere, Die u hielp uyt Egypten vry, En uyt het dienst-huys van on-eere, Hebt and're goden niet voor My.
3Gy sult geen beeldt van yets u maecken, Noch dienen, want ick sal heel al Uyt-roeyen, hem, en die hem raecken In maegschap, die my haten sal.
4Gy sult Godts naem in ydelheden Niet nemen, want de Heer sal niet
Onschuldig houden, die met eeden Sijn' Naem misbruyckt, noch Hem ontsiet.
5Gy sult uw' werck doen in ses dagen; Maer viert den sevenst', rust met lust; Want op dien dag was 't Godts behagen Te scheppen, na de schepping, rust.
6Eert uwen vader en uw' moeder, Op dat gy lang in 't aerdtrijck leeft, En in het landt, 't welck uw' behoeder, Uw' Heere, Godt, tot wooning' geeft.
7Gy sult den toorn en doodt-slag mijden; Maeckt dat in u geen' echt-breuck is; Steelt niet, al most gy honger lijden; En spreeckt geen valsch' getuygenis.
8Gy sult na 's naesten huys niet trachten, Noch na sijn wijf, noch knecht, noch maegt.
Noch op sijn' os, of esel wachten, Of yets 't geen gy van 't sijne saegt.
9O groote Godt, Uw' stem en reden Luyt klaerder dan het fijn' metael; Druckt in ons' hert die krachtigheden, Dat wy Uw' Wet doen al te mael.
Cookies on Poetry Cove