j. Pause.
6Zijn uw' verwoestingen vol-endt?
Hebt gy mijn' steden nu geschendt,
O vyandt, en om verr' gesmeten?
Is haer' gedachtenis vergeten?
7De Heere sit in eeuwigheydt:
Hy heeft altijdt Sijn Throon bereydt,
Om aller menschen doen en zeden
Te rechten in rechtmatigheden.
8Hy is, die, wat op aerden woont,
Gerecht'lick na verdiensten loont:
Hy sal de volcken voor Hem stellen,
En sal een billick vonnis vellen.
9De Heer sal zijn een hoog vertreck
Voor den verdruckten, in gebreck;
In noodt en in benauwde tijden
Sal Hy haer troosten en bevrijden.
10Daeromme, die Uw' Name kent,
Heeft sijne hoop na U gewendt,
Dewijl Gy, Heer, die tot U smeecken,
Niet laet in haer' ellende steecken.