ij. Pause. 8By goedertier'ne zijt Gy goedertieren. Recht zijt Gy by de man, oprecht van nieren. By reyne zijt Gy reyn, ô Heere; maer Gy toont by boose U een worstelaer. Want Gy verlost het volck, in druck geseten, Maer 't hoog oog werdt van U ter aerd' gesmeten; Gy geeft mijn lampe licht; de Heer, mijn' Godt, Geeft mijne duysternis het lichts genot.
9Want met U wil ick door een bende dringen; Met U wil ick een muer gaen over-springen. Volmaeckt is Godes weg, en Godes woordt Doorloutert, en een schildt aen die Hem hoort. Het is een schildt aen die op Hem betrouwen, En die op Sijn genaed' van herten bouwen.
Want wie is meerder Godt, dan Godt, de Heer? Wat rotz-steen hebben wy, dan Gode, meer?
10De Heer ging my met kracht en sterckte gorden. De Heer deed' mijne weg volkomen worden; Hy maeckt mijn voet gelijck de voet van 't Hert. Hy maeckt dat ick op 't hoogst verheven werdt. Mijn' handen leert Hy strijdt, soo dat een boge Van stael door mijnen arm brack voor mijn ooge. Gy gaeft my 't schildt Uw's heyls, Uw' hant in noot En Uw' sachtmoedigheydt heeft my vergroot.
11Gy hebt mijn voet-stap oock de ruymt gegeven, Ick wist in 't minste niet van eenig beven Van mijne enckelen; dewijl geen ding Haer bracht tot wanckeling of struyckeling. Ick joeg mijn vyandt na, en in het jagen Trof ick hem; 'k ging niet weer, eer hy verslagen,
Verdaen was; ick door-stack hem, soo dat hy Niet opstondt; maer sijn ziel viel onder my.
Cookies on Poetry Cove