Pause.
4Mijn swerven om en om hebt Gy getelt.
Laet mijn geschrey zijn in Uw'vlesch gestelt.
Werdt in Uw' reecken-boeck sulcks niet vermelt?
Is 't daer niet in geschreven?
Mijn' haters sullen zijn te rugg' gedreven,
Wanneer ick tot 't gebedt my ga begeven;
Dit weet ick seeckerlick; dat voor mijn leven
Mijn Heer en Godt wil staen.
5In Godt de Heer sal ick 't woordt prijsen gaen.
Ick steun op Godt, ick neem' geen vreesen aen.
Wat soud' doch van de mensch my zijn gedaen,
Wat soude 't vleesch my deeren?
Op U is mijn' beloft', ô Heer der heeren;
Ick sal vergelden, en ick sal begeeren
Danck-offerhand' te doen, tot Uwer eeren.
Want Gy hebt my geredt.
6Gy hebt my uyt 't gevaer des doodts geset.
Hebt Gy den aenstoot oock niet van mijn tredt,
Mijn voeten struyckeling oock niet belet?
Om voor des Heeren oogen,
Voor Godes aengesicht, mijn' weg te mogen
Bewand'len, noch te zijn ten val bewogen,
In 't licht, alwaer haer lucht en adem togen,
Die leefden op der aerd'?