Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iiij. Pause. 17Hy is berooft van elck, die ging den weg voorby, Hy was sijn bueren smaeat, by-woonders spot was hy; Gy hebt de rechter-handt verhoogt by sijn' partijden, En all' sijn' vyanden hebt Gy haer doen verblijden. De scherpte van sijn sweert gingt Gy ook ommekeeren, En deedt dat hy hem niet kon in de strijdt verweeren.

18Gy deedt ophouden, Heer, sijn reyn en all' sijn schoon; Gy stiet hem nederwaerts ter aerde met sijn throon; Gy hebt sijn jeugt verkort, noch gingt sijn' dagen strecken; Gy gingt sijn aengesicht met schaemte over-decken; Hoe lange sult Gy U doch steeds verbergen, Heere? Sal branden Uwen toorn, dat die, als 't vyer, verteere?

19Denckt doch, hoedanig ick van eeuw ben, en ontwaeckt; Waerom soud' elck van U zijn te ver-

geefs gemaeckt? Wie leeft' er die den doodt niet sien en sal noch smaecken? Diens ziele van 't geweldt des grafs bevrijdt sal raecken? Ach, Heere, waer zijn nu Uw' oude goedigheden, Die Gy aen David swoert by Uwe trouw en eeden?

20Denckt aen Uw's knechten smaedt, die ick draeg in mijn hert, Die van al 't groote volck aen my bewesen werdt: Daer met, ô Heere, all' Uw' vyanden gaen smaden, Daer met sy smaden, Heer, all' Uw's Gesalfden paden. Des Heeren Naem zy lof, lof boven alle namen, Ia in der eeuwigheydt gelooft, ja Amen, Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove