Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 8Des Heeren aensicht is Vertoornt op doenders van het quaed': Op dat Hy op der aerd' niet laet' Tot haer' gedachtenis. Het vroom hert roept en schreyt

Tot Godt, en Hy verhoort, en redt Die sijn vertrouwen op Hem set, Uyt alle bangigheydt.

9Des Heeren handt is dicht By die gebroocken is van hert, En de benauwde ziele werdt Door Sijne hulp verlicht. De vrome man heeft seer Groot ongeluck en tegenspoedt. Maer van all' dat de quade doet, Verlost hem Godt de Heer.

10Hy is 't, die 't soo bestiert, Dat sijne beend'ren zijn bewaert, En altemael geheel gespaert, Dat geen gebroocken wierdt. Des goddeloosen doodt

Sal boosheydt zijn; die vrome haet, Sal schuldig zijn, om sulcken daedt, Dat Godt sijn ziel' verstoot'.

11Godt maeckt Sijn' knechten vry; Een yeder die op Hem vertrouwt, Sal voor soodanig zijn geschouwt, Dat hy niet schuldig zy.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove