ij. Pause.
8Des Heeren aensicht is
Vertoornt op doenders van het quaed':
Op dat Hy op der aerd' niet laet'
Tot haer' gedachtenis.
Het vroom hert roept en schreyt
Tot Godt, en Hy verhoort, en redt
Die sijn vertrouwen op Hem set,
Uyt alle bangigheydt.
9Des Heeren handt is dicht
By die gebroocken is van hert,
En de benauwde ziele werdt
Door Sijne hulp verlicht.
De vrome man heeft seer
Groot ongeluck en tegenspoedt.
Maer van all' dat de quade doet,
Verlost hem Godt de Heer.
10Hy is 't, die 't soo bestiert,
Dat sijne beend'ren zijn bewaert,
En altemael geheel gespaert,
Dat geen gebroocken wierdt.
Des goddeloosen doodt
Sal boosheydt zijn; die vrome haet,
Sal schuldig zijn, om sulcken daedt,
Dat Godt sijn ziel' verstoot'.
11Godt maeckt Sijn' knechten vry;
Een yeder die op Hem vertrouwt,
Sal voor soodanig zijn geschouwt,
Dat hy niet schuldig zy.