Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 13Een yegelick van haer ontfing daer eten, Van 't broodt der Machtigen heeft elck gegeten. Hy sondt hen teer-kost toe tot haer versaden; Hy dreef den Oosten-windt, door wonder-daden, In d'hemel, en de lucht; door Sijne kracht Heeft Hy de Zuyde-windt oock aengebracht.

14Hy deed' daer na het vleesch, door Sijne zeg'nen In overvloedt, als stof, den volcke reg'nen, En het gevogelt' als der meyren-zanden. 't Gevleugelt quack'len heyr deed' Hy belanden, En deed' het vallen in Sijn legers tent, Rondtom Sijn' wooningen, en daer ontrent.

15Doe wierden sy seer sat en over-laden; Van 't geen' sy aten, door haer Godts genaden; Soo bracht Hy haer haer' lust op dese wijse. Maer sy en waren noch van dese spijse, Noch van haer' lust vervreemt, en men bevondt, Dat hare spijse noch was in haer mondt;

16Als Godts toorn tegen hen was opgeheven, Dat Hy haer' vetste hoop bracht om het leven, En 't uytgelesen' volck der jonge helde' In 't gantsche Israël ter neder velde, Soo sondigden sy noch; geloofden niet Door all' de wonderen, door Hem geschiedt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove