Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

j. Pause. 4Wy hebben, Heere, sond' begaen, En onse vaderen misdaen. Wy handelden verkeerdelijcken; Godtloosheydt hebben wy gepleegt; Ons' vaders in Egyptens rijcken Zijn door Uw' wond'ren niet beweegt.

5De grootheydt van Uw' goedigheydt En hebben sy niet overleydt, Maer aen de zee, de schelf-zee, waren Sy wederspannig; doch de Heer

Verloste haer; om t'openbaren Syn' Naem, Sijn' mogentheydt en eer.

6Hy scholdt de schelf-zee heel, soo dat De droogte hare grondt besat; Hy deed'se wand'len door de gronden, Gelijckerwijs door een' woestijn. Hy vrijd' haer van die tegen-stonden, En vyanden gebleecken zijn.

7Van haters handt en sijn geweldt Heeft Hy haer los en vry gestelt. All' hare weêr-partijders smoorden In 't Meyr; niet eenen bleef'er meer, En doe geloofden sy Sijn' woorden, Sy songen Sijnen lof en eer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove