Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

j. Pause. 6'k Hebb', spreeckt d'Heere Godt, Hem sijn' last ontnomen. Sijn handt van de pot; Hy is vry gegaen, Ick quam hem ontslaen, Hy is vry gekomen.

7Gy riept overluydt Tot My in uw' lijden; En Ick hielp u uyt. 'k Gaf in 't donder-oordt Heym'lick weder-woordt, En quam u bevrijden.

8Ick hebb' u geleydt In benauwt bevechten, Dat door dorstigheydt

Gy aen Meriba Schier vergingt; daer na Ging Ick onder-rechten.

9Mijn volck (seyd' Ick) wendt Tot My uwe ooren; Ick sal u bekent Maecken Mijn bevel, Of gy, Israël, Na My wildet hooren!

10Onder u en sal Geen uytheemsch Godt wesen. Niemandt van u all' Sal tot Mijner spot Eenig vreemde Godt Neêr-gebogen vreesen.

11Want Ick ben de Heer,

Uwe Godt almachtig: Ick trock u wel eer Uyt Egypten-landt; Maeckend' door Mijn handt U dit landt deelachtig.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove