A. Aleph. j.
1WEl-salig zijn sy, die oprecht'lick gaen,
En die daer in de Wet des Heeren treden,
En op een vroom gemoedt en wandel staen.
Ia vol gelucks zijn sy; vol saligheden,
Die onderhouden Sijn getuygenis,
En die van gantscher hert' Uw' Naem beleden.
2De sulcke wercken niet, 't geen onrecht is;
Maer wandelen in Sijn' bevolen' wegen
Oprechtelick, en doen geen' ergernis.
Gy hebt geboden, Heer, dat elck te degen
Sich stelle na Uw' Wet, en wel bewaer'
't Gebodt en het bevel van U gekregen.
3Och dat mijn weg alsoo gerichtet waer,
Om Uw' insettingen wel te bewaren!
Soo dat ick niet en viel, noch hier noch daer,
Geen schaemte soude my dan weder-varen!
Wanneer ick mercken soud', wanneer mijn' acht
Op all' Uw' Wetten sich soud' openbaren.
4Ick sal U loven in oprechte kracht,
Als ick Uw' rechten der gerechtigheden
Geleert sal hebben, dat ick die betracht:
'k Sal Uw' insettingen niet overtreden,
Maer die bewaeren, die betrachten, Heer;
Verlaet niet al te seer mijn' swackigheden.