Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

A. Aleph. j. 1WEl-salig zijn sy, die oprecht'lick gaen, En die daer in de Wet des Heeren treden, En op een vroom gemoedt en wandel staen. Ia vol gelucks zijn sy; vol saligheden, Die onderhouden Sijn getuygenis, En die van gantscher hert' Uw' Naem beleden.

2De sulcke wercken niet, 't geen onrecht is; Maer wandelen in Sijn' bevolen' wegen Oprechtelick, en doen geen' ergernis. Gy hebt geboden, Heer, dat elck te degen Sich stelle na Uw' Wet, en wel bewaer' 't Gebodt en het bevel van U gekregen.

3Och dat mijn weg alsoo gerichtet waer,

Om Uw' insettingen wel te bewaren! Soo dat ick niet en viel, noch hier noch daer, Geen schaemte soude my dan weder-varen! Wanneer ick mercken soud', wanneer mijn' acht Op all' Uw' Wetten sich soud' openbaren.

4Ick sal U loven in oprechte kracht, Als ick Uw' rechten der gerechtigheden Geleert sal hebben, dat ick die betracht: 'k Sal Uw' insettingen niet overtreden, Maer die bewaeren, die betrachten, Heer; Verlaet niet al te seer mijn' swackigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove