ij. Pause.
11O volck van Zion, wilt den Heer
Uw' Psalmen singen, t'Sijner eer.
Verkondigt alle volck Sijn wercken;
Leert yeder een Sijn doen bemercken.
12Hy soeckt de storters van het bloedt;
Hy straft de man, die moorden doet;
Hy sal der vrome mannen klachten
Geensins vergeten, noch verachten.
13O Heere, siet genadig aen
d'Ellend', die my is aengedaen,
Gy die my uyt de poort der hellen
En doodts verlost, en hoog wilt stellen.
14Op dat ick Uwen gantschen prijs
In Zions dochters poorten wijs';
Op dat ick zy verheugt, om reden
Van Uwe goedertierentheden.
15't Boos volck is in de kolck geraeckt,
Die 't had voor andere gemaeckt:
Gevangen zijn des Heydens zoolen,
In 't net, het welck hy had verschoolen.