Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

vj. Pause. 23Haer' haters hebben haer gequelt, En onder hare handt gestelt. Hy redde haer verscheyden' malen.

Sy tergden Hem door haren raedt; Sy wierden uytgeteert van qualen, Door hare ongerechte daedt.

24Hy sag nochtans haer' bangheydt aen, Hy hoord' als klachte wierdt gedaen, En als sy niet, dan schreyen, deden. Hy dacht voor haer aen Sijn verbondt, En na Sijn goedertierenheden Beroude het de Heer terstondt.

25Dies gaf Hy tot ontferming' haer Voor alle hare vangers schaer, Verlost ons, onse Godt, ô Heere, Versamelt ons uyt 't heydens stof; Dat wy Uw's heyligheydts Naem eere En ons beroemen in Uw' lof.

26Gelooft zy d'Heer van Israël

Men segge Godes Name wel, Van eeuwigheydt tot eeuwigheden, En al het Israëls geslacht, Bevestig' met haer wensch mijn reden, Al 't volck segg' Amen, 't zy volbracht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove