ij. Pause.
19Die den Sihon heeft gedoodt,
Welck' den Amorijt geboodt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
20Die den Og oock hielp van kant,
Koning van het Basans landt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
21Die haer landt gegeven heeft,
Dat Sijn volck daer erff'lick' leeft:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
22Die 't ten erve Sijnen knecht
Israël heeft toe-gelegt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
23Die op ons in nedrigheydt
Sijn' gedachten had geleydt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
24Ende Hy heeft ons ontruckt
De party, die had verdruckt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
25Die aen allen vleesch, dat leeft,
Allerhande spijse geeft:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
26Lovet Godt, en doet Hem eer,
Die daer is des hemels Heer:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.