iij. Pause. 15De vrome sullen d' aerd', door Godts genaden,
Besitten erffelick, in eeuwigheydt, Bewoonen, en niet zijn met sorg beladen; De mondt des vromen meldt verstandigheydt, En sijne tonge sal niet anders spreecken, Dan alle wijsheydt en gerechtigheydt.
16De Wet sijns Godts is in sijn hert gesteecken; Hy sal niet slibberen met sijnen voet, En geene mis-val sal sijn' gangen breecken: De goddeloose loert, met wrevel-moedt, Op den betrachter der rechtveerdigheden, Op hope, dat hy dien de doodt aendoet.
17Maer Godt en laet hem niet van hem vertreden, De Heere laet hem niet in sijne handt; In 't oordeel toont Hy hem barmhertigheden. Wacht op de Heer, houdt op Sijn wegen standt, En Hy sal erffelick u d'aerde geven.
De boose sult gy sien gemaeckt tot schandt.
18'k Hebb' een tyran gesien van godtloos leven, Die sich geweldiglick had uytgespreydt En als een Ceder-boom hoog opgeheven; Maer hy ging door tot in der eeuwigheydt. En, siet, hy was niet meer, noch wierdt gevonden: Ick socht hem, maer hy was tot nietigheydt.
19Let op den vromen, die op 't rechte stonden: Siet na haer; want het eynd' van sulcken man Sal vrede zijn, die noyt sal zijn geschonden: Maer d'overtreder werdt verdelgt, en kan Geensins bestaen; het eynd' der goddeloosen. Werdt uytgeroeyt, en daer komt niemandt van.
20Doch 'theyl der vrome, die de Gods-dienst koosen, Heyl van 't rechtverdig volk is van Gods macht; Hy is haer' sterckt', ter tijd' van angst voor boosen:
Godt salse helpen, door Sijn handt en kracht; Hy salse houden uyt de handt der loosen, Om dat sy hebben hulp van Hem verwacht.
Cookies on Poetry Cove