I.
ICk sal U, Heere, met mijn mondt.9
Ick bouw' op mijnen Godt, op mijnen Heere.11
Ick sal U minnen, Godt en Heer almachtig.18
Ick stell' op U, mijn vast vertrouwen.31
Ick sal altijdt de Heer.34
Ick sprack; Ick sal bewaren en in acht.39
Iuycht Godt, gy volck der gantscher aerde.66
Ick steun' op Uw' getrouwigheden.71
Ick sal Godts goedigheydt lof-singen eeuwiglijck.89
't Is goedt, datmen de Heere.92
Ick sal van gunst en goedertierenheden.101
Ick sal de daden van de Heer.111
Ick hebbe lief, dewijl de Heere hoort.116
Ick hebbe Godt de Heer' gebeden.120
Ick heff' na bergen op mijn oog.121
Ick ben verblijdt, vol vrolickheydt.122
Ick heff' tot U, ô Heer, mijn' oogen-lidt.123
Ick stort tot U gebeden.130
Ick roep' U aen om hulp, ô Heere.141
Ick riep met mijn stemm' tot de Heer.142