Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

P. Samech. Xv. 57VAn quade rancken is mijn hert' gewend'; De snoodtheydt, Heer, ben ick gewendt te haten. Maer hebb' mijn' liefd' tot Uw' bevel bekent. Gy zijt mijn' schuyl-plaets in benauwde staten; Gy zijt mijn schut en scherm; Gy zijt mijn schildt; 'k Hebb' op Uw' woordt gehoopt, en my verlaten.

58Boosdoeners, wijckt van my; die 't quade wilt Bedrijven, wijckt van my; dat ick geboden Mijns Godts bewaren mach, en doen stilt'. Stut my, na Uw' belofte, in mijn' nooden, Op dat ick leven mach; en laet my niet Beschaemt zijn in mijn hoop', ô Godt der goden.

59Heer, ondersteunt my, 'k sal dan uyt 't verdriet

Behouden zijn, en my dan steedts vermaecken In Uw' insettingen, die Gy gebiedt. Gy braeckt haer alle, die Uw' Wetten braecken, En keerden daer, na haer' verkeertheydt, van; Want haer bedrog is niet dan leugen-spraecken.

60Gy doet van d'aerde all' den boosen man; Als schuym doet Gy al wech 't godtloose wesen. Daerom minn' ick Uw' Wet, soo seer ick kan. 't Hayr mijnes vleesches is ten berg geresen, Van schrick voor U, ô Heer; ick hebb' gevreest Voor Uwe oordeelen, met grooter vreesen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove