P. Samech. Xv.
57VAn quade rancken is mijn hert' gewend';
De snoodtheydt, Heer, ben ick gewendt te haten.
Maer hebb' mijn' liefd' tot Uw' bevel bekent.
Gy zijt mijn' schuyl-plaets in benauwde staten;
Gy zijt mijn schut en scherm; Gy zijt mijn schildt;
'k Hebb' op Uw' woordt gehoopt, en my verlaten.
58Boosdoeners, wijckt van my; die 't quade wilt
Bedrijven, wijckt van my; dat ick geboden
Mijns Godts bewaren mach, en doen stilt'.
Stut my, na Uw' belofte, in mijn' nooden,
Op dat ick leven mach; en laet my niet
Beschaemt zijn in mijn hoop', ô Godt der goden.
59Heer, ondersteunt my, 'k sal dan uyt 't verdriet
Behouden zijn, en my dan steedts vermaecken
In Uw' insettingen, die Gy gebiedt.
Gy braeckt haer alle, die Uw' Wetten braecken,
En keerden daer, na haer' verkeertheydt, van;
Want haer bedrog is niet dan leugen-spraecken.
60Gy doet van d'aerde all' den boosen man;
Als schuym doet Gy al wech 't godtloose wesen.
Daerom minn' ick Uw' Wet, soo seer ick kan.
't Hayr mijnes vleesches is ten berg geresen,
Van schrick voor U, ô Heer; ick hebb' gevreest
Voor Uwe oordeelen, met grooter vreesen.