Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 17Gedenckt hier aen, ô Heer, ô groote Godt, De vyandt heeft gesmaedt, gehoont den Heere, En een dwaesachtig volck dat heeft de eere Gelastert van Uw' Naem, en die bespot.

18Wilt aen dit wildt gediert, 't welck lagen leydt, De ziel' Uw's tortel-duyfs niet geven t'eten; Wilt Uwen armen hoop doch niet vergeten, En Uw' ellendig volck, in eeuwigheydt.

19Aenschouwt, ô Heer, 't verbondt, van U gestelt, En opgerecht van oudts; want duysterheden

Der plaetsen van het landt, zijn vol van steden, En vol schuyl-wooningen van het geweldt.

20Laet den verdruckten niet in schaemte gaen; Laet hem met vyandts smaedt niet wederkeeren, Laet, die in noodtdruft zijn, en in't ontbeeren, Met 't prijsen van Uw' Naem zijn aengedaen.

21Staet op, twist Uwe saeck des twists, ô Godt, Gedenckt der smaedtheydt doch, die van den dwasen U wedervaren is, die brullen, rasen, En drijven all' den dag met U de spot.

22Hoort aen, en weest doch niet vergetelijck Van't vyandtlick geroep van Uw' partijden; 't Getier der gener, die U tegen-strijden, Klimt op, tot U altijdt, na 't Hemelrijck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove