j. Pause.
10Die d'Egyptenaren sloeg,
En wat eerst-geboorte droeg:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
11Die heeft Israël geredt;
Midden uyt hen vry-geset:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
12Met een machtig stercke handt,
Met een arm gestreckt op 't landt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
13Dien, die daer de biesen-zee
Heeft gedeelt, in stucken snee:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
14Die heeft Israël gebracht
Door het midden van haer' macht:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
15Pharao met all' sijn volck
Storte Hy in schelf-zees kolck:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
16Die het volck, dat op Hem bouwt,
Leyde door het woeste wouwt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
17Die de Koningen van macht
Heeft geslagen, omgebracht:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.
18Die heeft Vorsten van geweldt
Heerlick, treffelick, gevelt:
Want Sijn' goedertierenheydt
Is tot in der eeuwigheydt.