Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 6Des morgens en des avondts, Heere, Wanneer werdt uyt-gegaen, Doet Gy, dat tot Uw' lof en eere Een juychen werdt gedaen. 't Landt doet Gy wel, door Uwen zegen. En als Gy 't hebt vergraegt, Bestort Gy 't grootelicks met regen, Soo dat het rijck'lick draegt.

7Godts beeck is vol van water-stroomen; Als Gy 't soo hebt bereydt, Bereydt Gy 't, dat daer van mach komen, Het koorn in volligheydt.

Gy maeckt geploegde voren droncken, Door 't dalend' waters plas. Gy maeckt het weeck, en 't werdt beschoncken Met zegen op 't gewas.

8Gy kroont het jaer met vettigheden, Met zegens overvloedt. Van vetheydt druypen Uwe treden, En stappen van Uw' voet. De weyden selve der woestijnen Bedruypen sy met vrucht; De heuvels zijn omgordt met wijnen, Met blijdtschap en genucht.

9't Veldt is vol vee, het welck' de weyden, Als tot een kleedt, verstreckt; De dalen, die Uw' lof verbreyden, Zijn heel met koorn bedeckt.

Sy zijn vervrolickt, sy ontspringen, Sy huppelen, ô Heer. Sy juychen, Heer, ja oock sy singen, Sy singen, t'Uwer eer'.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove