Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 9Wilt, seyd' Hy, geen gesalfde raecken;

Doet geen' Propheten quade saecken; Hy riep in 't landt oock hongers-noodt, Hy brack de heele staf van 't broodt. Hy heeft een groot man af-gericht, Voor henen, voor haer aengesicht.

10't Was Ioseph, wien sijn' broeders sochten Te dooden, en tot slaef verkochten. Sijn voet wierdt in de stock gestelt, En hy met ysers dwang gequelt; Ter tijdt toe, dat des Heeren woordt Vervult wierdt, 't geen' hy had gehoort.

11Soo lang heeft hem des Heeren reden, Door-lout'ren willen en door-smeden; De Koning sondt, deed' hem ontslaen; Der volcken heerscher liet hem gaen. Hy maeckte los, en hy ontbondt

De boeyen, daer in hy hem sondt.

12Hy gaf sijn huys in sijne handen; Tot heerschappy door all' sijn' landen; Hy steld' hem over all' sijn' schat, Op dat hy Vorsten die hy had, Bind' na sijn lust en sijn begeer, En dat hy sijne oudtste leer'.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove