Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iij. Pause. 13Godt heeft mijne mogentheden, Op de weg verdruckt, vertreden, Hy heeft mijne tijdt verkort. Daerom hebb' ick klacht' gestort. Neemt my niet, sprack ick in 't klagen, Wech in 't midden mijner dagen; Heer, Uw' tijdt is in sijn' krachten, Van geslachten tot geslachten.

14Gy zijt die voor 't aengesichte d'Aerd' gegrondt hebt, d'hemel stichte, Die het werck is van Uw' hand', Die vergaen, noch houden standt. Maer Gy sult Uw' standt behouden: Alle sullen sy verouden, Alle sullen sy verteeren, Als een kleedt, ô Heer der heeren.

15Gy sult haer, als lijf-cieraden, Doen verand'ren, als gewaden, Ende sy, met all' haer' schijn, Sullen heel verandert zijn. Maer Gy, Heere, daer-en-tegen, Zijt de selfde aller-wegen, En Uw' jaren, en Uw' tijden, Sullen noyt een eynde lijden.

16't Vroom geslachte der oprechten, Kinderen van Uwe knechten, Sullen woonen seeckerlijck By U in Uw' Zions rijck, En all' haer' nakomelingen, En haer zaedt in alle dingen Voor Uw' aengesicht na desen t'Eenemael bevestigt wesen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove