Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

v. Pause. 19Sy hebben 't volck niet neêr-geleydt, Die hen de Heere had geseydt: Maer mengden haer met Heydens vrouwen, En leerden all' der selver daedt; Op afgoôn-dienst was haer vertrouwen; Sy werden hen ten strick tot quaedt.

20Sy hebben daer-en-boven oock Aen het veldt-duyvels quade spoock Geoffert dochteren en sonen; Sy storteden 't onschuldig bloedt Van soons en dochters, om te toonen Aen Canaäns Godt offer-goedt.

21Door bloedt-schuldt is het landt bedeckt, En is ontheyligt en bevleckt. Sy zijn ontreynigt door haer' daden, Sy hebben geest'lick geboeleert, Door hare wercken uyt den quaden, En met afgoden gehoereert.

22Hierom ontstack Godts gramschap seer Op 't volck; een grouwel had de Heer Aen 't erfdeel van Hem aengenomen, En Hy deed' alle hare schaer In d'handt van heydens volcken komen: Haer haters heerschten over haer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove