iij. Pause.
13Ick sal in eeuwigheydt vast setten al sijn zaedt,
En, als des hemels tijdt, sal zijn sijn throon en staet;
Soo sijne kinderen Mijn wil en wet verlaten,
En in Mijn' rechten niet en wand'len, maer die haten,
Soo sy ontheyligen het geen Ick in ging setten,
Noch houden Mijn bevel, noch op geboden letten.
14Sal Ick haer overtreên besoecken met de roed';
Haer' ongerechtigheydt met plaeg gaen te gemoet.
Maer Mijne goedigheydt sal Ick van hem niet halen;
Mijn' trouw en sal van hem niet feylen nochte dwalen.
Noyt sal ontheyliging by
My zijn van verbonden,
Verandering Mijns woordts werdt noyt by My gevonden.
15Ick hebb' een eedt gedaen by Mijne heyligheyt;
Ick lieg aen David noyt, het geen Ick heb geseydt;
Tot in der eeuwigheydt sal sijn geslachte wesen;
Sijn' throon sal zijn voor My, gelijck de Son geresen.
Hy sal gelijck de Maen, vast zijn voor eeuwiglijcken;
En sijn getuygens trouw sal in den hemel blijcken.
16Maer Gy hebt, Heere, hem verstooten en verdaen,
Op Uw' Gesalfden zijt Gy in Uw' toorn gegaen.
't Verbondt Uw's knechts maeckt Gy te niet, van geener waerde,
En Gy hebt sijne kroon ontheyligt tegen d'aerde.
All' sijne mueren hebt Gy door-gebroocken, Heere;
Gy hebt sijn' vestingen geworpen uytter eere.