Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 5Des Konings dochters zijn, met schoone kleêren, Staet-dochteren van u, tot uwer eeren; De Koninginn' staet aen uw' rechter-handt, In 't fijnste Ophir-goudt van 't gantsche landt. O dochter, schoonste bruydt, wilt na my hooren, En siet, en neygt na my alleen uw' ooren; Gedenckt niet aen uw' volck, noch en vertoont U niet in 't huys, in 't welck' uw' vader woont.

6Soo sal de Koning lust en wel-behagen Aen uwe schoonheydt in sijn herte dragen; Dewijle dat hy is uw' Godt en Heer, Soo bidt hem aen, en buygt u voor hem neêr. De Tyrus dochteren, de rijcke lieden, Die sullen smeecken, en geschencken bieden.

Des Konings dochter is inwendig gantsch Verheerlickt, en haer kleedt vol goude glants.

7In een gestickt gewaedt sal sy, vol eeren, Geleydet werden tot de Heer der heeren: De dochters, het gevolg van hare pracht, Die sullen tot uw' Throon oock zijn gebracht. Sy sullen zijn geleydt met vrolickheden, Met blijdtschaps, en met vreugds uytnementheden. Sy sullen, met de vreugd' heel aengedaen, In 't Konincklick Palleys des Heeren gaen.

8In uwer vad'ren plaets sal ick uw' sonen Voortkomen laten, en gy sult haer kroonen. Gy sult het alles, wat op aerden leeft, Doen buygen voor de macht, die gy haer geeft. Ick sal uw' groote naem', uw' eer', doen achten, O Heere, van geslacht', tot in geslachten;

Daeromme sal het volck, gesamentlick, U loven, alle tijdt, en eeuwiglick.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove