G.
GOdt is mijn Herder; my sal niets ontbeeren.23
Godt is in Iudaes landt seer wel.76
Godt heeft Sijn sit-plaets ingenomen.82
Gy hebt Uw's volcken landt begunstigt, Heer.85
Gy waert een toevlucht, ons' vertreck, en wapen.90
Godt, al-om ge-eert.99
Gy gantsche aerde, juycht den Heer.100
Gy knechten, die den Heer uw' Godt.113
Gedenckt aen David doch, ô Heer.132
Gy kent my, Heere, Gy door-grondt.139
Gezegent moet de Heer, mjn rotz-steen wesen.144