Pause. 6Heeft de Heer dan my vergeten Sijn' genade uyt te meten? Sloot Hy Sijn' barmhertigheydt Nu door Sijne toornigheydt? Heeft de Heere dan de sinnen, Van niet langer te beminnen? Is mijn heyl, mijn toeverlaet Heel verandert, door een haet?
7Naderhandt ging ick bedencken, En ick sprack; Dit komt my krencken; Maer des Hoogsten rechter-handt Is verandert in het landt. Ick sal dencken aen Godts wercken, Op Sijn' oude wond'ren mercken. 'k Sal Uw' werck betrachten gaen, Spreeckend' 't geen Gy hebt gedaen.
8Heere Godt, all' Uwe wegen Zijn in't heyligdom gelegen. Wie is Godt, de groote Heer, Wie is Godts gelijcken meer? Gy zijt die Godt van genaden, Die doet wonderlicke daden. Gy maeckt kenbaer Uwe kracht Onder 't Heydensche geslacht.
9Gy hielpt, Heere, door Uw' armen, Door Uw' krachtelick ontfarmen, Iacobs kund'ren uyt de noodt, Iosephs kind'ren uyt de doodt. Heer, de wat'ren, wat'ren sagen U, en beefden van vertsagen. Oock was d'afgrondt heel beroert, En van bangheydt wech-gevoert.
10Dicke wolcken, dicht gesloten, Hebben wateren gegoten; Opper-wolck-drift gaf geluydt, En Uw' pijl ging, Heere, uyt. In dit ronde was Uw' donder; Blixem lichte ons hier onder, En de wereldt, en de aerd' Beefd', en wierdt beroert, vervaert.
11In de zee, in water-wegen, Was Uw' weg en padt gelegen, En Uw' voet-stap daer ontrent Wierdt van niemandt oyt bekent. Heer, Gy gingt Uw' volck geleyden, En gelijck een kudde weyden, Door Aärons staf en handt, En door Moses, na haer landt.
Cookies on Poetry Cove