Pause.
6Ick wassche mijne handt
In onschuldt suyver, want
Ick doe de Heer mijn dienst en eer,
Ick ga met groote scharen
Rondtom Uw' brandt-altaren,
Ick offer' U altijdt, ô Heer.
7Op dat een yeder hoort
De stemm' des lofs, en 't woordt
't Welck al Uw' wonder-werck vertelt;
Op datmen hoor' de monden
Die Uwen Naem verkonden,
Daer door Uw' eer werdt hoog gestelt.
8Ick heb, ô Heer, bemint,
En hertelick besint,
Het schoone Huys in 't welck Gy woont.
Ick minn', ô Godt , en Heere,
De plaets, die Uwe eere,
En Uwe Tabernakel toont.
9Raept mijne ziel niet wech;
Met sulcke, welcker weg
Na sond' en boosheydt is gerecht.
Noch neemt, ô Godt, mijn leven;
Met die sich heeft begeven,
Tot moordt en bloedt en tot gevecht.
10In welckes handen-daedt
Is allerhande quaedt.
Des welcken werck is vol van schandt,
En die soo hittig draven,
Om giften en om gaven
Te hebben in haer' rechter handt.
11Maer all' mijn wandel leydt
In mijn' oprechtigheydt,
En buyten valscheydt van het hert.
Wilt dan mijn' ziel van lijden
Genadiglick bevrijden,
Geeft my verlossing uyt mijn smert.
12Men siet mijn' voeten staen
Op een oprechte baen,
En op der paden effenheydt.
Ick sal den Heere prijsen,
Ick sal Hem eer' bewijsen,
Daer 't volck vergaderingen leydt.