Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

iiij. Pause. 14Hoort, Iacob, Godt is aen uw' zy, Uw' Godt de Heer geboodt, dat gy Soudt sterck zijn in uw' wercken. Wilt, 't geen Gy hebt aen ons gedaen, O Godt, voor ons volvoeren gaen, En met Uw' kracht verstercken. Om Uwes Tempels will'. ô Heer, Soo sullen Vorsten, t' Uwer eer, Daer haer geschencken geven. Scheldt 't wildt gediert des riedts ter doodt; Vernielt het heel, en laet dat snoodt Gedrocht niet in het leven.

15Verdelgt der wreeder stieren macht, Met kalv'ren van het volck, 't geslacht

Van hare ondersaten. Wilt die geveynsden offer doet, Met stucken silvers valt te voet, Niet in het leven laten. Hy heeft de krijgers heel verdaen; Siet, uyt Egypten sullen gaen Der Princen afgesanten; 't Gesantschap uyt het Mooren-landt, Op dat het streck' tot Godt de handt, Sal gaen van alle kanten.

16Gy Koninckrijcken van der aerd', Segt Gode lof; maeckt Hem vermaert, Psalm-singt de Heer ter eere. Dien die in d'hem'len hemel rijdt, Die is van oudts, van alle tijdt, Siet, Syn stem' geeft de Heere.

Een stemme van een groote macht; Geeft Gode sterckte; Sijne kracht Is over Iacob henen; Sijn hoogheydts en Sijn stercktes blijck Is in het bovenst' hemelrijck, En wolcken-drift verschenen.

17Gy zijt verschrickelick, ô Heer; Uyt Uwe wooning' van Uw' eer, Uyt Uwe heyligheden. Godt Iacobs is 't die 't volck versterckt, Die krachten in de Sijne werckt; Looft Godt in eeuwigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove